De duikfles – Van Franse uitvinding tot moderne hogedrukcilinder
Iedere duiker kent de duikfles. Het is misschien wel het meest vertrouwde onderdeel van onze uitrusting: een stevige metalen cilinder, gevuld met ademgas, die we op onze rug dragen en waarop we onze ademautomaat aansluiten. We weten hoeveel lucht erin past en ongeveer hoelang we ermee kunnen duiken. Maar hoeveel weten we eigenlijk over de fles zelf? Hoe is de moderne duikfles eigenlijk ontstaan? Wie kwamen op het idee om samengeperste lucht mee onder water te nemen, en hoe ontwikkelden de eerste drukvaten zich tot de cilinders die we vandaag gebruiken? Waarom worden sommige duikflessen van staal gemaakt en andere van aluminium, en hoe ontstaat zo'n sterke, naadloze metalen cilinder eigenlijk? In dit eerste deel volgen we de geschiedenis van de duikfles, van de eerste Franse uitvindingen tot de moderne productieprocessen en materialen. Dit is het eerste deel van een vierdelige serie over de duikfles. Welkom bij de eerste les in cilinderologie.
1. Van kolenmijn tot onderwaterwereld
Opvallend genoeg begon de geschiedenis van het moderne persluchtduiken niet onder water, maar diep onder de grond, in de Franse kolenmijnen. Hoewel mensen al duizenden jaren onder water doken en in verschillende landen werd geëxperimenteerd met ademtoestellen, kwamen enkele van de belangrijkste doorbraken uit Frankrijk. En de eerste daarvan was niet bedoeld voor duikers, maar voor mijnwerkers die zich in gevaarlijke, met gas gevulde mijngangen moesten begeven.
De Franse mijnbouwingenieur Benoît Rouquayrol ontwikkelde in 1860 een ademtoestel waarmee reddingswerkers in zulke omstandigheden konden werken. Enkele jaren later ontmoette hij Auguste Denayrouze, een marineofficier die wegens ziekte zijn loopbaan op zee had moeten onderbreken. Denayrouze zag onmiddellijk dat de uitvinding van Rouquayrol ook onder water gebruikt zou kunnen worden. Samen ontwikkelden ze in 1864 een duikapparaat met een persluchtreservoir en een ademautomaat die lucht leverde wanneer de duiker inademde. Daarmee legden een mijnbouwingenieur en een marineofficier, ieder vanuit hun eigen vakgebied, een belangrijke basis voor het moderne persluchtduiken.
De hoeveelheid beschikbare lucht was nog zeer beperkt. Voor langere duiken bleef men daarom afhankelijk van lucht die vanaf het oppervlak werd aangevoerd. Toch was het apparaat revolutionair: voor het eerst beschikte een duiker over een systeem dat de toevoer van ademlucht automatisch regelde op basis van zijn ademhaling. Het was bovendien deze uitvinding die Jules Verne inspireerde voor de duikuitrusting van kapitein Nemo en zijn bemanning in de beroemde roman Twintigduizend mijlen onder zee (1870). Wanneer Nemo en zijn mannen over de zeebodem wandelen, dragen ze dus geen volledig verzonnen sciencefictionapparaten, maar uitrusting die was gebaseerd op een bestaande Franse uitvinding uit 1864.
Een belangrijke volgende stap kwam in 1926, toen de Franse marineofficier en uitvinder Yves Le Prieur, in samenwerking met Maurice Fernez, een zelfstandig duikapparaat demonstreerde waarmee een duiker zich zonder luchttoevoer vanaf het oppervlak onder water kon bewegen. Le Prieur gebruikte daarvoor industriële stalen gascilinders, zoals die onder meer door de bekende bandenfabrikant Michelin werden geproduceerd. De cilinders hadden een inhoud van ongeveer drie liter en bevatten perslucht onder een druk van circa 150 atmosfeer. Ze werden op de rug gedragen, waardoor de uitrusting al duidelijk begon te lijken op wat we tegenwoordig als een zelfstandig persluchtduikapparaat herkennen. De luchttoevoer moest echter nog handmatig worden geregeld, waardoor het systeem minder efficiënt en comfortabel was dan moderne ademautomaten.
De grote doorbraak volgde in 1943, toen de Franse marineofficier en ontdekkingsreiziger Jacques-Yves Cousteau (1910–1997) samen met ingenieur Émile Gagnan (1900–1979) de beroemde Aqua-Lung ontwikkelde. Gagnan had tijdens de Tweede Wereldoorlog gewerkt aan drukregelaars voor gasmotoren, een techniek die hij samen met Cousteau aanpaste voor gebruik onder water. Hun belangrijkste innovatie was een betrouwbare ademautomaat die alleen lucht leverde wanneer de duiker inademde en daarbij automatisch rekening hield met de omgevingsdruk. Daardoor ging er veel minder lucht verloren dan bij systemen met een continue luchtstroom.
De eerste Aqua-Lung-apparaten maakten gebruik van meerdere stalen persluchtcilinders op de rug, waarmee duikers aanzienlijk langer en vrijer onder water konden blijven. Het systeem werd na de oorlog verder ontwikkeld en commercieel geproduceerd, onder meer door het Franse bedrijf La Spirotechnique. Daarmee werd zelfstandig persluchtduiken voor een veel grotere groep mensen toegankelijk en ontstond de technische basis voor de moderne recreatieve duiksport.
Hoewel ademautomaten sinds de tijd van Cousteau en Gagnan steeds verder zijn verbeterd, is het basisprincipe van de duikfles opmerkelijk eenvoudig gebleven: een stevig drukvat waarin een grote hoeveelheid ademgas wordt samengeperst, afgesloten met een kraan. Toch heeft ook die cilinder zelf een indrukwekkende ontwikkeling doorgemaakt. De eerste zware stalen reservoirs maakten plaats voor steeds sterkere, betrouwbaardere en veelzijdigere duikflessen. Om te begrijpen hoe dat mogelijk werd, moeten we niet alleen naar de geschiedenis van het duiken kijken, maar ook naar de ontwikkeling van de materialen waarvan die flessen worden gemaakt. En die geschiedenis begint bij het metaal dat de negentiende-eeuwse industrie voorgoed veranderde: staal.
De moderne duikuitrusting ontstond niet van de ene op de andere dag. Van de vroege ademapparatuur van Rouquayrol en Denayrouze (1864), via de persluchtuitrusting van Yves Le Prieur (1934), tot de autonome duikapparatuur van Jacques-Yves Cousteau en Émile Gagnan (1943): iedere ontwikkeling bracht de duiker een stap dichter bij de vrijheid om zelfstandig onder water te ademen.
2. Twee metalen, twee geschiedenissen
De eerste duikflessen waren van staal. Dat was niet verwonderlijk: ijzer en staal behoorden tot de belangrijkste materialen van de Europese industriële revolutie. Ze vormden de basis voor de aanleg van spoorwegen en bruggen, de bouw van schepen en machines, en de ontwikkeling van steeds sterkere industriële drukvaten. Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw maakte de grootschalige productie van staal een enorme technologische ontwikkeling mogelijk, waarvan uiteindelijk ook de eerste duikapparaten profiteerden.
Staal is een legering van ijzer en een kleine hoeveelheid koolstof. Het ijzer werd gewonnen uit ijzererts, dat in de negentiende eeuw op grote schaal werd ontgonnen in Europese mijnbouwgebieden, zoals Wallonië en het Ruhrgebied. Samen met steenkool vormde ijzererts een van de belangrijkste grondstoffen van de industriële revolutie. In hoogovens werd het erts met behulp van cokes, een brandstof gemaakt uit steenkool, omgezet in ruwijzer, dat vervolgens verder kon worden verwerkt tot staal. Nieuwe productiemethoden maakten het mogelijk om staal steeds goedkoper en op grotere schaal te produceren. Daarmee werd het een onmisbaar materiaal voor spoorwegen, bruggen, schepen, machines en uiteindelijk ook hogedrukcilinders. De eerste stalen duikflessen waren dus in zekere zin een rechtstreeks product van de Europese industriële revolutie.
Staal was sterk, relatief goedkoop en kon grote mechanische belastingen verdragen. Naarmate de staalindustrie zich verder ontwikkelde, werd het mogelijk om steeds sterkere en betrouwbaardere cilinders te produceren die bestand waren tegen hogere drukken. De eerste zelfstandige duikapparaten maakten dan ook gebruik van stalen persluchtreservoirs. Maar hoewel staal lange tijd vrijwel vanzelfsprekend het materiaal voor duikflessen was, verscheen in de tweede helft van de twintigste eeuw een belangrijk alternatief: aluminium.
De geschiedenis van aluminium begon heel anders. In 1855 presenteerde de Franse scheikundige Henri Sainte-Claire Deville het metaal op de wereldtentoonstelling in Parijs. Aluminium was destijds nog een kostbare curiositeit, die zelfs met goud kon wedijveren in waarde. Tegenwoordig maken we er frisdrankblikjes van die we na een paar minuten weer weggooien. De negentiende-eeuwse metallurgen zouden zich vermoedelijk achter de oren krabben. Dat aluminium zo'n alledaags materiaal kon worden, hebben we vooral te danken aan de ontwikkeling van nieuwe productiemethoden.
De belangrijkste grondstof voor aluminium is bauxiet, een gesteente dat zijn naam ontleent aan het Zuid-Franse plaatsje Les Baux-de-Provence, waar het werd ontdekt. Pas met de ontwikkeling van industriële elektrolyseprocessen aan het einde van de negentiende eeuw werd grootschalige aluminiumproductie mogelijk. In de twintigste eeuw groeide aluminium uit tot een belangrijk constructiemateriaal, onder meer in de luchtvaart, de automobielindustrie en de machinebouw. Door aluminium te combineren met kleine hoeveelheden andere elementen, zoals magnesium, silicium en koper, konden bovendien legeringen worden ontwikkeld die aanzienlijk sterker waren dan zuiver aluminium.
Vanaf de jaren zestig werden aluminium cilinders steeds vaker gebruikt voor het opslaan van ademlucht, maar de grote doorbraak in de recreatieve duiksport volgde in de jaren zeventig. In 1973 verscheen de aluminium 80-cubic-foot-fles, beter bekend als de AL80, met een werkdruk van 3.000 psi (ongeveer 207 bar). Dit model groeide uit tot een van de meest gebruikte duikflessen ter wereld. Vooral in de Verenigde Staten en het Caribisch gebied werden aluminiumflessen bijzonder populair, terwijl in Europa stalen flessen een belangrijk deel van de markt bleven uitmaken. Die geografische verschillen zien we vandaag de dag nog steeds terug.
Aluminium had enkele aantrekkelijke eigenschappen. Het materiaal is goed bestand tegen veel vormen van corrosie, laat zich uitstekend industrieel verwerken en heeft een veel lagere dichtheid dan staal. Toch betekent dat niet automatisch dat een aluminium duikfles lichter is. Omdat aluminiumlegeringen voor duikflessen doorgaans minder sterk zijn dan de gebruikte staalsoorten, moeten de wanden aanzienlijk dikker worden gemaakt. Daardoor kan een aluminium AL80 op het droge zelfs zwaarder zijn dan een vergelijkbare stalen duikfles. Onder water worden de verschillen nog interessanter, omdat ook het uitwendige volume en daarmee de hoeveelheid verplaatst water een rol spelen. Daar komen we later uitgebreider op terug.
Staal en aluminium hebben dus ieder hun eigen geschiedenis en eigenschappen. Het ene metaal werd groot tijdens de industriële revolutie, het andere begon als een kostbare zeldzaamheid en groeide uit tot een alledaags constructiemateriaal. Beide bleken uiteindelijk geschikt voor het opslaan van ademgas onder hoge druk, maar dat vereiste meer dan alleen de keuze van het juiste metaal. Een duikfles moet immers niet alleen sterk zijn, maar ook op een bijzonder zorgvuldige manier worden vervaardigd. En juist daarin verschilt de productie van een moderne hogedrukcilinder van die van een gewone metalen buis.
Staal en aluminium beginnen hun leven als grondstoffen uit de aarde, maar volgen daarna heel verschillende productieroutes. IJzererts wordt met behulp van onder meer cokes en kalksteen omgezet in ijzer en vervolgens staal, terwijl uit bauxiet via aluminiumoxide en elektrolyse aluminium wordt gewonnen. Beide metalen worden uiteindelijk gevormd tot sterke, drukbestendige duikflessen.
3. Hoe maak je een fles die honderden bar kan verdragen?
Een moderne duikfles is niet zomaar een metalen buis waarop een bodem en een hals zijn gelast. Hoewel dat misschien de eenvoudigste manier lijkt om een cilinder te maken, zou zo'n constructie voor een hogedrukfles verschillende risico's met zich meebrengen. Lasnaden kunnen zwakke plekken vormen, zeker wanneer een drukvat gedurende zijn levensduur duizenden keren wordt gevuld en weer geleegd. Daarom worden moderne stalen en aluminium duikflessen doorgaans naadloos vervaardigd: het volledige drukdragende gedeelte bestaat uit één stuk metaal, zonder gelaste verbindingen.
Je zou natuurlijk ook kunnen proberen om de hele fles in één keer te gieten. Bij gietijzer of gietaluminium wordt gesmolten metaal in een mal gegoten, waarna het afkoelt en stolt. Daarmee kun je ingewikkelde vormen maken, zoals een motorblok of een cilinderkop, maar voor een duikfles is dit geen geschikte productiemethode. Gegoten metalen hebben doorgaans een minder gunstige combinatie van sterkte, taaiheid en weerstand tegen wisselende belastingen dan speciaal daarvoor ontwikkelde, vervormde metaallegeringen. Tijdens het stollen ontstaat een kristallijne korrelstructuur, waarvan de eigenschappen onder meer afhangen van de afkoelsnelheid. Bovendien kunnen kleine gasbelletjes, krimpholtes en insluitsels in het gietstuk achterblijven. Zulke onregelmatigheden kunnen onder hoge druk en bij herhaalde belasting zwakke plekken vormen. Vooral gietijzer is relatief bros en daardoor ongeschikt voor dit soort drukvaten. De oplossing is om het metaal niet in zijn definitieve vorm te gieten, maar het in vaste toestand onder grote kracht te vervormen. Met de juiste bewerkingen en warmtebehandelingen ontstaat zo een materiaal met de gewenste mechanische eigenschappen.
Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Een fabrikant moet een stuk staal of aluminium omvormen tot een holle cilinder met een gesloten bodem, een nauwkeurig gevormde hals en wanden die overal voldoende sterk zijn. Daarbij moet het materiaal tijdens het hele productieproces zorgvuldig worden behandeld, zodat de uiteindelijke cilinder aan alle sterkte-eisen voldoet. De vorm van de fles is minstens zo belangrijk als de sterkte van het metaal. Een cilindrische wand verdeelt de krachten van de inwendige druk over het materiaal, terwijl de zorgvuldig gevormde bodem en schouder helpen om grote plaatselijke spanningsconcentraties te voorkomen. Zelfs de overgang van de schouder naar de hals moet zorgvuldig worden ontworpen, omdat daar de kraan wordt bevestigd en de constructie plaatselijk van vorm verandert.
Bij de productie van stalen duikflessen wordt vaak begonnen met een stalen buis of een massief stuk staal. Afhankelijk van het productieproces wordt het materiaal verwarmd, geperst, getrokken of gewalst totdat een cilindervormig drukvat ontstaat. Bij sommige methoden wordt een massief stuk staal tot een holle vorm geperst, terwijl bij andere een naadloze buis als uitgangspunt dient. Vervolgens wordt de bovenzijde door middel van verhitting en vervorming vernauwd tot een hals, waarin later de schroefdraad voor de fleskraan wordt aangebracht. Ook de bodem krijgt zijn definitieve vorm. Het resultaat is een cilinder waarvan de wand, schouder en hals één doorlopend geheel vormen.
Daarmee is de stalen fles echter nog niet klaar. Tijdens het vormen en bewerken verandert de interne structuur van het metaal, en daarmee kunnen ook de mechanische eigenschappen veranderen. Daarom volgt doorgaans een zorgvuldig gecontroleerde warmtebehandeling, waarbij het staal volgens een voorgeschreven temperatuurverloop wordt verhit en afgekoeld. Afhankelijk van de gebruikte staalsoort en productiemethode kan dat bijvoorbeeld bestaan uit harden en ontlaten. Daarmee krijgt het materiaal de gewenste combinatie van sterkte en taaiheid. Een duikfles moet immers niet alleen grote krachten kunnen verdragen, maar ook voldoende vervormbaar blijven om niet bij een plaatselijke overbelasting plotseling te breken. Aluminiumflessen worden op een andere manier vervaardigd. Een veelgebruikte methode is koude extrusie. Daarbij wordt een massief aluminium blok, ook wel een billet genoemd, onder enorme druk in een matrijs geperst. Een stempel drukt het metaal zo krachtig samen dat het langs de stempel omhoog wordt geduwd en een holle cilinder met een gesloten bodem ontstaat. Op die manier wordt uit één stuk aluminium een vrijwel complete fles gevormd, zonder dat er een bodem hoeft te worden gelast. Het is een indrukwekkend productieproces, waarbij een betrekkelijk eenvoudig blok metaal in korte tijd verandert in een nauwkeurig gevormd drukvat.
De term koude extrusie is overigens enigszins misleidend. Hij betekent vooral dat het aluminium niet vooraf tot de hoge temperaturen wordt verhit die bij warme extrusie gebruikelijk zijn. Tijdens het persen kan het materiaal door de enorme vervorming en de daarbij vrijkomende warmte alsnog behoorlijk warm worden. Na het extruderen wordt de bovenzijde van de cilinder door middel van een vormproces vernauwd tot de hals. Vervolgens worden de fles en de hals verder bewerkt en ondergaat het aluminium een warmtebehandeling om de gewenste mechanische eigenschappen te verkrijgen. Vooral bij aluminiumlegeringen is die behandeling van groot belang: de uiteindelijke sterkte hangt niet alleen af van de chemische samenstelling, maar ook van de manier waarop het materiaal is vervormd, verhit en afgekoeld.
Een naadloze stalen of aluminium duikfles kan worden vervaardigd uit één ronde staalplaat. Met krachtige persen wordt het metaal eerst tot een kom en vervolgens tot een lange cilinder gevormd. Daarna worden de bodem, lengte en hals verder afgewerkt. Zo ontstaat een drukvat zonder lasnaad in de cilinderwand.
Bij zowel stalen als aluminium duikflessen volgt daarna een uitgebreide kwaliteitscontrole. De fabrikant controleert onder meer de afmetingen, de wanddikte, de afwerking en de eigenschappen van het materiaal. Ook de schroefdraad in de hals moet nauwkeurig worden vervaardigd, zodat de fleskraan correct past en de verbinding onder hoge druk betrouwbaar blijft. Daarnaast worden de cilinders volgens de toepasselijke productienormen onder druk getest. Bij een hydrostatische proef wordt de fles met water gevuld en blootgesteld aan een druk die aanzienlijk hoger ligt dan de normale werkdruk. Daarbij wordt gecontroleerd of de cilinder de belasting veilig kan verdragen en, afhankelijk van de voorgeschreven testmethode, of de vervorming binnen de toegestane grenzen blijft.
Pas wanneer een cilinder aan alle eisen voldoet, mag zij als goedgekeurd drukvat worden afgeleverd. Op de schouder worden onder meer de identificatiegegevens, de werkdruk, de keuringsgegevens en andere verplichte markeringen aangebracht. Die informatie vormt als het ware het technische paspoort van de fles. Wat voor de duiker een betrekkelijk eenvoudig stuk uitrusting lijkt, is dus het eindresultaat van een nauwkeurig gecontroleerd industrieel productieproces.
Maar zelfs wanneer twee flessen op vrijwel dezelfde manier zijn vervaardigd, hoeven ze nog niet dezelfde eigenschappen te hebben. Niet ieder staal is even sterk, en ook tussen verschillende aluminiumlegeringen bestaan aanzienlijke verschillen. Bovendien bepaalt de manier waarop een metaal reageert op belasting of een fles jarenlang veilig hoge druk kan verdragen. Om dat te begrijpen, moeten we iets dieper kijken naar de materiaalkunde achter de moderne duikfles.
4. Sterker dan het lijkt – De wetenschap achter het materiaal
Een duikfles moet sterk genoeg zijn om honderden bar druk te weerstaan, maar sterkte alleen is niet voldoende. Het materiaal moet ook een zekere elasticiteit hebben, bestand zijn tegen herhaalde belastingen en zich onder extreme omstandigheden zo voorspelbaar mogelijk gedragen. Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar metalen kunnen onderling sterk verschillen in de manier waarop ze op druk, vervorming en langdurige belasting reageren. Zelfs twee flessen die allebei van aluminium zijn gemaakt, kunnen heel andere mechanische eigenschappen hebben.
Wanneer we spreken over een stalen of aluminium duikfles, hebben we het eigenlijk over verschillende soorten metaallegeringen. Zuiver ijzer is bijvoorbeeld te zacht voor de meeste technische toepassingen. Door kleine hoeveelheden koolstof en andere elementen toe te voegen en het materiaal op de juiste manier te behandelen, ontstaat staal met specifieke mechanische eigenschappen. Voor duikflessen worden hoogwaardige staalsoorten gebruikt die een grote treksterkte combineren met voldoende taaiheid. Dat laatste is belangrijk: een drukvat moet niet alleen hoge spanningen kunnen verdragen, maar ook bestand zijn tegen kleine vervormingen en wisselende belastingen zonder plotseling te breken.
Bij aluminium is de keuze van de legering minstens zo belangrijk. Veel moderne aluminium duikflessen worden vervaardigd uit de legering 6061-T6. De aanduiding 6061 verwijst naar een aluminiumlegering waaraan onder meer magnesium, silicium, mangaan, koper en chroom zijn toegevoegd. De toevoeging T6 betekent dat het materiaal een specifieke warmtebehandeling en kunstmatige veroudering heeft ondergaan om de sterkte te verhogen. Het resultaat is een legering die een goede combinatie biedt van sterkte, vervormbaarheid en corrosiebestendigheid. Het gaat dus niet zomaar om aluminium, maar om een zorgvuldig samengesteld en behandeld materiaal.
Dat is niet altijd de standaard geweest. In het verleden werden ook duikflessen gemaakt van de aluminiumlegering 6351-T6. Deze verschilt in samenstelling van 6061-T6 en bleek bij bepaalde flessen gevoeliger voor een verschijnsel dat sustained-load cracking wordt genoemd: scheurvorming die kan ontstaan wanneer het materiaal gedurende lange tijd onder hoge spanning staat. Vooral bij de hals en de schroefdraad, waar de fleskraan wordt bevestigd, kon dit problemen veroorzaken. Niet iedere fles van 6351-T6 ontwikkelt zulke scheuren, maar het risico was ernstig genoeg om aanleiding te geven tot aanvullende inspectieprocedures en veranderingen in de materiaalkeuze. Luxfer schakelde voor zijn Amerikaanse aluminium duikflessen in 1987–1988 over op 6061-T6. Dit voorbeeld laat zien dat de veiligheid van een duikfles niet alleen afhangt van de druk waarvoor zij is ontworpen, maar ook van de precieze samenstelling en behandeling van het materiaal.
Om te begrijpen hoe zulke materialen zich onder druk gedragen, moeten we onderscheid maken tussen elasticiteit en blijvende vervorming. Wanneer een duikfles wordt gevuld, oefent de samengeperste lucht een enorme kracht uit op de binnenwand. Het metaal rekt daardoor een heel klein beetje uit. Zolang de belasting binnen het elastische bereik blijft, keert de fles na het aflaten van de druk vrijwel volledig terug naar haar oorspronkelijke afmetingen. Dit noemen we elastische vervorming. Het is een essentieel kenmerk van een goed ontworpen drukvat: de fles moet duizenden keren kunnen uitzetten en weer krimpen zonder daarbij blijvend van vorm te veranderen.
Wordt de belasting te groot, dan kan het materiaal zijn elasticiteitsgrens overschrijden. Er ontstaat dan plastische vervorming: een blijvende verandering van vorm. Bij nog hogere belastingen kan uiteindelijk breuk optreden. Daarom worden duikflessen ontworpen met aanzienlijke veiligheidsmarges en getest bij drukken die hoger liggen dan hun normale werkdruk. Een duikfles moet dus haar hele leven een beetje kunnen meeveren, zonder daar blijvende gevolgen aan over te houden. Een eigenschap waarmee je zou wensen dat ook mensen standaard werden uitgerust.
Maar zelfs wanneer de belasting steeds binnen het elastische bereik blijft, kan herhaald gebruik op lange termijn gevolgen hebben. Een duikfles wordt immers niet één keer onder druk gezet, maar gedurende haar levensduur mogelijk duizenden keren gevuld en geleegd. Iedere vulbeurt veroorzaakt een nieuwe verandering in de spanning van het materiaal. Zulke herhaalde belastingen kunnen bijdragen aan materiaalmoeheid, waarbij microscopisch kleine scheurtjes ontstaan of bestaande scheurtjes langzaam groeien. Hoe snel dat gebeurt, hangt af van de materiaalsoort, de constructie, de grootte van de drukwisselingen en eventuele beschadigingen. Een goed ontworpen duikfles is berekend op een groot aantal drukcycli, maar dat betekent niet dat zij onbeperkt of zonder inspectie gebruikt kan worden.
De verschillen in mechanische eigenschappen tussen staal en aluminium worden bijzonder duidelijk wanneer we naar de wanddikte kijken. Staal heeft een dichtheid van ongeveer 7,8 gram per kubieke centimeter, terwijl aluminium slechts ongeveer 2,7 gram per kubieke centimeter weegt. Een stuk aluminium met hetzelfde volume is dus bijna drie keer zo licht als staal. Je zou daarom verwachten dat een aluminium duikfles aanzienlijk lichter is dan een stalen exemplaar. In de praktijk valt dat echter vaak tegen, omdat de sterkte van het materiaal minstens zo belangrijk is als zijn dichtheid.
De hoogwaardige staalsoorten die voor duikflessen worden gebruikt, kunnen doorgaans aanzienlijk hogere mechanische spanningen verdragen dan aluminiumlegeringen zoals 6061-T6. Om dezelfde inwendige druk veilig te weerstaan, heeft een aluminium cilinder daarom meestal dikkere wanden nodig. Een gangbare stalen 12-literfles heeft bijvoorbeeld een wanddikte van ongeveer 4 tot 5 millimeter, terwijl de wand van een aluminium AL80 doorgaans 11 tot 13 millimeter dik is. Dat is ongeveer tweeënhalf tot drie keer zo dik. Er is dus aanzienlijk meer materiaal nodig, waardoor een groot deel van het gewichtsvoordeel van aluminium verloren gaat. Een aluminiumfles kan op het droge zelfs zwaarder zijn dan een stalen fles met een vergelijkbare gascapaciteit.
De grotere sterkte van staal maakt het bovendien mogelijk om relatief compacte duikflessen voor hogere werkdrukken te ontwerpen. Veel aluminium duikflessen hebben een werkdruk van ongeveer 207 bar (3.000 psi), hoewel er ook modellen voor 228 bar (3.300 psi) bestaan, zoals de AL100. Stalen duikflessen zijn daarentegen verkrijgbaar voor 200, 232 en zelfs 300 bar. Een stalen fles van 12 liter op 300 bar kan daardoor aanzienlijk meer ademgas bevatten dan een even grote fles op 200 bar. Die hogere druk stelt wel zwaardere eisen aan de constructie, de fleskraan en de vulinstallatie. Het gaat overigens niet om een absolute drukgrens van aluminium als materiaal, maar om een verschil tussen de gangbare ontwerpen en toepassingen in de duiksport.
De dikkere wanden van aluminiumflessen hebben nog een ander gevolg: bij dezelfde waterinhoud is hun uitwendige volume doorgaans groter. Onder water betekent dat dat ze meer water verplaatsen en daardoor meer opwaartse kracht ondervinden. Volgens de wet van Archimedes is die opwaartse kracht gelijk aan het gewicht van het verplaatste water. Dit verklaart mede waarom een aluminium AL80 aan het einde van een duik positief drijvend kan worden, terwijl veel stalen flessen ook bij een lage flesdruk nog negatief blijven. Het precieze verschil hangt uiteraard af van het flesmodel, het gewicht van de kraan en de hoeveelheid ademgas die nog aanwezig is. In het tweede deel van Cilinderologie komen we uitgebreid terug op deze verschillen in drijfvermogen.
De keuze tussen staal en aluminium is dus veel ingewikkelder dan de vraag welk metaal het lichtst of het sterkst is. De samenstelling van de legering, de warmtebehandeling, de wanddikte en de vorm van de cilinder bepalen samen hoe een duikfles zich onder druk gedraagt. Maar een duikfles moet niet alleen bestand zijn tegen de krachten van binnenuit. Ze wordt ook blootgesteld aan water, zout, zuurstof en soms jarenlang intensief gebruik. En juist bij die invloeden van buitenaf blijken staal en aluminium opnieuw heel verschillende eigenschappen te hebben.
5. Staal of aluminium: welke fles is beter?
Na alle verschillen in samenstelling, sterkte en wanddikte blijft natuurlijk de vraag welke duikfles nu eigenlijk de beste is. Een eenvoudig antwoord bestaat niet. Staal en aluminium hebben ieder hun eigen voordelen en beperkingen, en wat voor de ene duiker ideaal is, hoeft dat voor de andere niet te zijn. Daarbij spelen niet alleen de afmetingen, het gewicht en de werkdruk een rol, maar ook de omstandigheden waarin een fles wordt gebruikt en onderhouden. Vooral de manier waarop beide metalen reageren op water en zuurstof is van groot belang.
Staal kan in aanwezigheid van water en zuurstof gaan roesten. Daarbij ontstaat ijzeroxide, dat zich meestal als een poreuze, roodbruine laag op het oppervlak vormt. Anders dan bij sommige andere metalen beschermt deze laag het onderliggende staal doorgaans onvoldoende, waardoor het corrosieproces verder kan gaan. Vooral in een vochtige, zoute omgeving kan dat een serieus probleem worden. Daarom worden stalen duikflessen aan de buitenkant meestal voorzien van een beschermende coating, terwijl aan de binnenkant vooral moet worden voorkomen dat vocht binnendringt. Een goed onderhouden stalen fles kan tientallen jaren meegaan, maar wanneer zich eenmaal ernstige corrosie ontwikkelt, kan de sterkte van het drukvat aanzienlijk afnemen.
Aluminium gedraagt zich anders. Zodra het met zuurstof in aanraking komt, vormt zich aan het oppervlak een zeer dunne laag aluminiumoxide. Deze laag hecht stevig aan het metaal en beschermt het in veel omstandigheden tegen verdere aantasting. Daardoor is aluminium relatief corrosiebestendig, wat een belangrijk voordeel is in de maritieme omgeving waarin duikflessen worden gebruikt. Toch betekent dit niet dat aluminium ongevoelig is voor corrosie. Vooral in aanwezigheid van chloriden, zoals in zeewater, kan plaatselijke aantasting ontstaan. Daarbij vormen zich kleine putjes in het oppervlak, een verschijnsel dat putcorrosie wordt genoemd. Ook galvanische corrosie kan optreden wanneer verschillende metalen elektrisch contact maken in aanwezigheid van een geleidende vloeistof.
Voor beide materialen geldt dat corrosie vooral gevaarlijk wordt wanneer zij de dikte of de sterkte van de cilinderwand aantast. Een fles die er aan de buitenkant uitstekend uitziet, kan van binnen ernstige beschadigingen hebben, bijvoorbeeld wanneer tijdens het vullen vochtige ademlucht is binnengekomen. Omgekeerd betekent een beschadiging van de lak op een stalen fles niet automatisch dat de fles onveilig is. Het gaat uiteindelijk om de aard, de diepte en de omvang van de aantasting. Daarom zijn periodieke visuele inspecties en hydrostatische keuringen zo belangrijk. In het vierde deel van Cilinderologie komen we uitgebreid terug op de verschillende vormen van beschadiging en de criteria die bepalen of een fles nog veilig gebruikt mag worden. Een veelgehoorde veronderstelling is dat aluminiumflessen langer meegaan dan stalen flessen, simpelweg omdat aluminium niet roest. Zo eenvoudig ligt het echter niet. Zowel stalen als aluminium duikflessen kunnen tientallen jaren veilig worden gebruikt, mits ze goed worden onderhouden, volgens de voorschriften worden gevuld en de vereiste inspecties en keuringen doorstaan. Er bestaat geen universele maximale levensduur die voor iedere duikfles geldt. Sommige flessen hebben een door de fabrikant of de toepasselijke norm vastgestelde gebruiksduur, terwijl andere in principe in gebruik kunnen blijven zolang ze aan alle keuringscriteria voldoen.
In de praktijk wordt de levensduur vooral bepaald door de gebruiksomstandigheden. Een stalen fles die altijd droog wordt gehouden en zorgvuldig wordt onderhouden, kan zeer lang meegaan. Een aluminiumfles die regelmatig wordt blootgesteld aan zout water, verkeerd wordt behandeld of beschadigingen aan de hals ontwikkelt, kan daarentegen voortijdig worden afgekeurd. Ook de kwaliteit van de ademlucht speelt een belangrijke rol. Vocht dat tijdens het vullen in een fles terechtkomt, kan op termijn aanzienlijke schade veroorzaken, ongeacht het materiaal waarvan de cilinder is gemaakt. Goed onderhoud en zorgvuldig vullen zijn daarom minstens zo belangrijk als de keuze tussen staal en aluminium.
Staal en aluminium reageren verschillend op vocht en zout water. Bij staal kan roest ontstaan, zowel aan de buitenkant als binnenin de cilinder, bijvoorbeeld onder een tankboot of beschermnet. Aluminium vormt van nature een beschermende oxidelaag, maar kan onder ongunstige omstandigheden toch worden aangetast door putcorrosie of galvanische corrosie, vooral rond de aansluiting met de fleskraan.
Naast corrosiebestendigheid en levensduur zijn er natuurlijk ook praktische verschillen. Stalen duikflessen kunnen dankzij hun relatief dunne wanden compact worden uitgevoerd en zijn verkrijgbaar voor hoge werkdrukken. Bovendien blijven veel stalen flessen onder water negatief drijvend, zelfs wanneer ze bijna leeg zijn. Dat kan aantrekkelijk zijn voor duikers die hun hoeveelheid lood willen beperken. Aluminiumflessen zijn daarentegen bijzonder populair in de recreatieve duiksport, vooral in warmwaterbestemmingen. Ze zijn goed bestand tegen veel vormen van corrosie, worden op grote schaal geproduceerd en hebben doorgaans voorspelbare drijfvermogenseigenschappen. Een aluminium AL80 wordt bijvoorbeeld vaak minder negatief en uiteindelijk positief drijvend naarmate de luchtvoorraad afneemt. Dat vraagt om een andere benadering van de loodverdeling, maar is op zichzelf geen nadeel zolang de duiker er rekening mee houdt.
Aluminium is als materiaal veel lichter dan staal, maar een aluminium duikfles heeft doorgaans dikkere wanden nodig om dezelfde druk te weerstaan. Daardoor kan een AL80 uiteindelijk ongeveer even zwaar zijn als een stalen 12-literfles, terwijl zij meer water verplaatst. Dat verschil in uitwendig volume beïnvloedt het drijfvermogen, vooral wanneer de fles tijdens de duik leger wordt.
Ook bij technisch duiken spelen deze eigenschappen een belangrijke rol. Aluminium cilinders worden veel gebruikt als stage- en decompressieflessen, omdat hun drijfvermogen gedurende de duik verandert en ze, afhankelijk van het model en de configuratie, relatief gemakkelijk naast het lichaam kunnen worden gedragen. Stalen flessen zijn juist populair voor grotere gasvoorraden, bijvoorbeeld in dubbelsets op de rug. Hun relatief compacte afmetingen en hoge werkdruk maken het mogelijk om veel ademgas mee te nemen zonder dat de uitrusting onnodig omvangrijk wordt. De beste materiaalkeuze hangt dus niet alleen af van de eigenschappen van het metaal, maar vooral van de manier waarop de fles wordt gebruikt.
Uiteindelijk zijn staal en aluminium geen concurrenten waarvan er noodzakelijk één moet winnen. Beide materialen hebben zich gedurende tientallen jaren bewezen als betrouwbare basis voor moderne duikflessen. Staal biedt een grote sterkte en maakt compacte cilinders met hoge werkdrukken mogelijk, terwijl aluminium een goede corrosiebestendigheid combineert met eigenschappen die voor veel recreatieve en technische toepassingen aantrekkelijk zijn. Welke fles het meest geschikt is, hangt af van de gewenste gasvoorraad, de duikomstandigheden, het drijfvermogen, het onderhoud en natuurlijk ook de persoonlijke voorkeur van de duiker.
6. Carbon-composiet: de derde weg naast staal en aluminium
Wie denkt dat duikflessen uitsluitend van staal of aluminium worden gemaakt, heeft een derde materiaalsoort over het hoofd gezien: carbon-composiet. Deze flessen zijn aanzienlijk lichter dan hun metalen tegenhangers en worden doorgaans ontworpen voor hoge werkdrukken, vaak 300 bar. In Europa kom je ze af en toe tegen, vooral bij gespecialiseerde en professionele duiktoepassingen. In de Verenigde Staten en het Caribisch gebied zijn ze binnen de recreatieve duiksport veel minder gebruikelijk. Dat is opmerkelijk, want op papier lijkt een fles die minder weegt en meer gas kan bevatten bijna de ideale duikfles.
De oorsprong van deze technologie ligt niet in de duiksport, maar in de lucht- en ruimtevaart. Vanaf de jaren vijftig en zestig experimenteerden ingenieurs met drukvaten en raketonderdelen die niet volledig uit metaal bestonden, maar werden versterkt met vezels die onder spanning rond een binnenwand werden gewikkeld. Vooral NASA investeerde in de jaren zestig en zeventig uitgebreid in deze techniek. De eerste composietdrukvaten gebruikten voornamelijk glasvezel, later gevolgd door onder andere Kevlar en koolstofvezels. Er is dan ook niet één uitvinder van de moderne carbonfles aan te wijzen. De technologie ontstond uit tientallen jaren onderzoek naar materialen die tegelijk licht en uitzonderlijk sterk moesten zijn.
Een verrassende stap richting de moderne ademluchtfles kwam uit een samenwerking tussen NASA en de Amerikaanse brandweer. In 1972 werden bedrijven ingeschakeld om lichtere ademluchtcilinders te ontwikkelen, omdat de zware stalen flessen voor brandweerlieden een aanzienlijke belasting vormden. Een van de nieuwe composietflessen woog ongeveer 12 kilogram, tegenover ruim 18 kilogram voor een stalen fles met dezelfde gasvoorraad. Het Amerikaanse bedrijf Structural Composites Industries, in 1971 opgericht door vier voormalige ingenieurs van Aerojet, speelde daarbij een belangrijke rol. Ook Luxfer begon in 1976 met de productie van glasvezelversterkte cilinders en introduceerde tien jaar later volledig omwikkelde composietflessen. In de jaren negentig verschenen steeds verder ontwikkelde uitvoeringen met koolstofvezels. Zo vond een technologie die oorspronkelijk voor raketten en ruimtevaartuigen was ontwikkeld via de brandweer uiteindelijk ook haar weg naar de duiksport.
Opmerkelijk genoeg vond deze grotendeels in Amerika ontwikkelde technologie juist in de Amerikaanse recreatieve duiksport maar beperkt ingang. Een belangrijke verklaring ligt in de verschillende drukstandaarden en toelatingsregels aan weerszijden van de Atlantische Oceaan. In Europa waren stalen duikflessen met een werkdruk van 300 bar al langer verkrijgbaar. Carbon-composiet vormde daarop een logische aanvulling: dezelfde hoge werkdruk, maar met een aanzienlijk lager gewicht. In de Verenigde Staten lag dat anders. Daar gaan de gangbare hogedrukduikflessen niet verder dan 3.442 psi, ongeveer 237 bar. De huidige DOT-regels staan het vervoer van metalen duikflessen met een hogere vuldruk op de openbare weg niet toe. Voor composietflessen bestaan afzonderlijke toelatingsmogelijkheden, maar die kunnen bijzondere voorwaarden stellen aan onderwatergebruik, inspectie en levensduur. Mede daardoor is de 300-bar-duikfles in de Verenigde Staten nooit een vanzelfsprekend alternatief geworden voor de vertrouwde stalen en aluminium cilinders.
De naam carbon verwijst naar koolstofvezels (carbon fibres), uiterst dunne vezels die grotendeels uit koolstof bestaan en een bijzonder hoge treksterkte hebben. Maar een carbonfles bestaat niet uit één massief stuk koolstof. Het is een composietconstructie, waarbij verschillende materialen samenwerken om de druk van het opgeslagen gas te weerstaan. Het woord composiet komt van het Latijnse compositus, samengesteld. In dit geval is dat bijzonder toepasselijk: de sterkte ontstaat juist door de combinatie van materialen met verschillende eigenschappen.
Bij een conventionele stalen of aluminium duikfles draagt de metalen wand vrijwel de volledige mechanische belasting. Bij een composietfles is die taak geheel of gedeeltelijk overgenomen door een wikkeling van sterke vezels. Binnenin bevindt zich een zogenaamde liner, een dunne binnenwand die het gas vasthoudt. Daaromheen worden koolstofvezels aangebracht, geïmpregneerd met een kunsthars, meestal epoxy. Na uitharding vormt dit een sterke, relatief lichte constructie.
Een moderne composietcilinder bestaat uit meerdere lagen die elk een eigen functie hebben. De binnenste liner houdt het gas vast, terwijl de daaromheen gewikkelde koolstofvezels de hoge druk opvangen. Een beschermende buitenlaag helpt beschadiging door stoten, slijtage en zonlicht te beperken. Het resultaat is een sterke, relatief lichte cilinder.
Er bestaan verschillende typen composietdrukvaten. Bij sommige blijft een metalen liner een belangrijk deel van de belasting dragen. Bij andere, de zogenaamde Type 4-cilinders, bestaat de liner uit kunststof en wordt de druk vrijwel volledig opgevangen door de vezelversterkte buitenwand. Een fabrikant als CTS gebruikt bijvoorbeeld een liner van PET, dezelfde kunststofsoort die we ook kennen van drankflessen, al gaat het uiteraard om een speciaal ontwikkelde samenstelling. De koolstofvezels zorgen voor de sterkte, terwijl de liner voorkomt dat het gas door de constructie ontsnapt.
De productiemethode verschilt dan ook sterk van die van een metalen duikfles. In plaats van een metalen buis te vervormen of een aluminium blok uit te persen, wordt eerst de liner gemaakt. Vervolgens worden onder gecontroleerde spanning vezels rondom de cilinder gewikkeld, zowel in omtreksrichting als onder verschillende hoeken. Die oriëntatie is belangrijk: de krachten die de cilinder in de lengterichting belasten, zijn niet dezelfde als de krachten die de wand naar buiten proberen te drukken. Door de vezels gericht aan te brengen, kan het materiaal precies daar worden versterkt waar dat nodig is. Na het wikkelen wordt de hars uitgehard en krijgt de cilinder doorgaans nog een beschermende buitenlaag of coating. Het resultaat is een drukvat dat een aanzienlijk hogere verhouding tussen sterkte en gewicht kan bereiken dan een conventionele metalen cilinder.
Veel composietflessen zijn ontworpen voor een werkdruk van 300 bar, tegenover de 200 bar die we bij veel conventionele duikflessen tegenkomen. Daardoor kan een relatief kleine cilinder een aanzienlijke hoeveelheid ademgas opslaan. Een 7-literfles op 300 bar heeft bijvoorbeeld een nominale gasinhoud van 2.100 liter wanneer we eenvoudigweg watervolume met vuldruk vermenigvuldigen. Een traditionele 10-literfles op 200 bar komt volgens dezelfde berekening op 2.000 liter. In werkelijkheid liggen die hoeveelheden iets lager, vooral bij 300 bar, omdat lucht zich onder hoge druk niet meer precies volgens de ideale gaswet gedraagt. Daar komen we in het tweede deel van Cilinderologie uitgebreider op terug.
Wie met een 300-barfles wil duiken, moet zich echter wel realiseren dat daar enkele praktische beperkingen aan verbonden zijn. Om te beginnen moet de eerste trap van de ademautomaat geschikt zijn voor deze hogere werkdruk. Maar minstens zo belangrijk is de beschikbaarheid van een vulstation dat daadwerkelijk 300 bar kan leveren. Dat is lang niet overal vanzelfsprekend. Wie zijn 300-barfles telkens maar tot 200 bar kan laten vullen, verliest immers een groot deel van het voordeel waarvoor hij die fles juist heeft aangeschaft.
Het grootste voordeel van composiet is het lage gewicht. Voor brandweerlieden, reddingswerkers en andere gebruikers van draagbare ademluchtapparatuur is dat bijzonder aantrekkelijk. Zij dragen hun flessen immers voortdurend op hun rug, zonder dat het gewicht door water wordt gecompenseerd. Iedere kilogram minder betekent minder fysieke belasting en meer bewegingsvrijheid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat composietcilinders in deze sectoren veel gebruikelijker zijn geworden dan in de recreatieve duiksport.
Onder water ligt dat ingewikkelder. Een duikfles heeft niet alleen een gewicht, maar ook een drijfvermogen. Een stalen fles levert doorgaans een bijdrage aan de benodigde ballast van de duiker. Een veel lichtere composietfles kan, afhankelijk van de constructie en de hoeveelheid resterend gas, juist een aanzienlijk positief drijfvermogen hebben. Dat betekent dat de duiker extra lood moet meenemen om het gewichtsverlies van de fles te compenseren. Het gewicht dat je op de parkeerplaats bespaart, moet je onder water dus mogelijk weer toevoegen.
Dat maakt composiet niet automatisch ongeschikt voor duiken. Bij sommige professionele systemen wordt juist gebruikgemaakt van afzonderlijke, verstelbare ballastgewichten. De duiker kan dan de lichte flessen comfortabel naar de duiklocatie dragen en pas vlak voor het te water gaan de benodigde ballast bevestigen. Voor reddingsduikers, die soms lange afstanden over land moeten afleggen voordat ze het water bereiken, kan dat een belangrijk voordeel zijn. Voor een recreatieve duiker die zijn fles vanaf de duikschool rechtstreeks naar de boot brengt, is die winst doorgaans minder groot.
Ook op het gebied van onderhoud en inspectie verschillen composietflessen van metalen cilinders. Een stalen fles kan roesten en een aluminiumfles kan corrosie of scheurvorming ontwikkelen, maar bij composiet spelen andere vormen van beschadiging een rol. Diepe krassen, inslagen, beschadigde vezels, aantasting van de hars of het loslaten van verschillende materiaallagen kunnen de sterkte van de constructie beïnvloeden. Zulke beschadigingen zijn niet altijd op dezelfde manier te beoordelen als bij een metalen fles.
Bovendien is niet iedere composietcilinder geschikt voor onderwatergebruik. Een fles die is goedgekeurd voor brandweerademlucht, mag niet automatisch als duikfles worden gebruikt. Bij sommige constructies kan water tussen beschermlagen en de eigenlijke drukwand terechtkomen. Daarom moeten zowel de certificering als de instructies van de fabrikant expliciet onderwatergebruik toestaan.
Ook de levensduur verdient aandacht. Oudere composietcilinders hebben vaak een vastgestelde maximale gebruiksduur, bijvoorbeeld vijftien jaar. Moderne uitvoeringen kunnen daarentegen een zogenaamde Non-Limited Life-goedkeuring hebben, waarbij geen vaste einddatum is voorgeschreven. Dat betekent natuurlijk niet dat zo'n fles onbeperkt zonder inspectie gebruikt mag worden. De voorgeschreven keuringen blijven noodzakelijk en een beschadigde fles kan ook ruim vóór het einde van haar theoretische levensduur worden afgekeurd.
Composietflessen laten zien hoe ver de ontwikkeling van drukvaten inmiddels is gevorderd. Waar de eerste duikers zware metalen reservoirs moesten meesjouwen, kunnen moderne fabrikanten cilinders bouwen waarin een dunne kunststof binnenwand en zorgvuldig gewikkelde koolstofvezels samen honderden bar aan druk weerstaan. Het is een indrukwekkend staaltje materiaalkunde, maar daarmee is het nog niet vanzelfsprekend de beste oplossing voor iedere duiker.
De hogere aanschafprijs, de specifieke inspectie-eisen, de beschikbaarheid van 300-bar vulinstallaties en vooral het drijfvermogen onder water verklaren waarom staal en aluminium voorlopig de standaard blijven. Composiet biedt interessante mogelijkheden, vooral wanneer een laag gewicht boven water belangrijk is, maar de ideale duikfles bestaat nog altijd niet. Welk materiaal het meest geschikt is, hangt uiteindelijk af van wat je met die fles wilt doen.
Tot slot
En daarmee zijn we aan het einde gekomen van het eerste deel van Cilinderologie. We hebben gezien hoe de duikfles zich in anderhalve eeuw heeft ontwikkeld, van de eerste experimenten met samengeperste lucht tot de moderne hogedrukcilinders van staal en aluminium. Achter die ogenschijnlijk eenvoudige metalen fles schuilt een lange geschiedenis van technische vernieuwing, materiaalkunde en steeds betere productiemethoden.
Toch weten we daarmee nog niet hoe een duikfles zich onder water gedraagt. Hoeveel ademgas zit er werkelijk in een cilinder, waarom gebruiken Amerikanen andere maten dan Europeanen en wat gebeurt er met het drijfvermogen wanneer we de fles langzaam leegademen? In het tweede deel van deze serie laten we de geschiedenis achter ons en duiken we in de natuurkunde van de duikfles.